Zeven vinkjes voor een inclusieve voedseltuin

Nieuwe waarden Voedsel en landbouw Samenwerking organiseren

Amarins de Vries (zij/haar)

Onderzoeksstagiair

7 vinkjes website
Op een voedseltuin in Den Haag tuiniert een groep Marokkaanse en Turkse vrouwen wekelijks mee. Ze wieden onkruid, zaaien en oogsten. Maar op de dag dat de opbrengst wordt verkocht, staat er een heel ander publiek: vooral hoogopgeleide mensen en studenten die hun pakket komen ophalen. Pas de dag erna komen de vrouwen terug om weer mee te tuinieren en de soms overgebleven producten te kopen.

Het is een van de verhalen die onze stagiaire Amarins de Vries tijdens haar onderzoeksstage bij Squarewise het meest is bijgebleven. Ze verwachtte, voordat ze begon, een tamelijk homogene groep aan te treffen op de voedseltuinen die ze bezocht – vooral mensen die toch al met duurzaamheid bezig zijn. In werkelijkheid trof ze studenten, mbo’ers, gepensioneerden, mensen met en zonder baan, mensen met verschillende culturele achtergronden, soms wel en soms geen Nederland sprekend.

De diversiteit óp de tuin bleek groter dan verwacht. Maar wie er meetuiniert, blijkt niet automatisch degene te zijn die het voedsel ook opeet.

Dat gat – tussen wie erbij hoort en wie ervan profiteert – werd het hart van haar onderzoek naar wat voedseltuinen en andere alternatieve voedselinitiatieven écht toegankelijk maakt.

Ze ging op pad langs tuinen door heel Nederland, tuinierde zelf mee tijdens vrijwilligersmomenten en sprak zo met tuinders, deelnemers, oogstaandeelhouders én met buurtbewoners die juist geen onderdeel waren van zo’n initiatief.

Na tientallen gesprekken zag Amarins zeven terugkerende kenmerken van initiatieven waar mensen zich welkom voelden.

Zeven vinkjes voor een inclusieve voedseltuin, zou je kunnen zeggen.

✓ Wacht niet tot mensen naar je toe komen

Veel tuinders vertelden hetzelfde: ze willen dat hun gezonde, lokale voedsel terechtkomt bij de mensen die het nodig hebben, niet alleen bij wie toevallig al op de fiets langskomt. Maar wélke groep ze precies missen, en waarom, bleek voor tuinders zelf vaak moeilijk te duiden. Logisch, want het netwerk waar je vanuit je eigen kring mensen bij betrekt, is meestal het netwerk dat al op je lijkt.

De tuinen waar het wél lukte, zochten actief de samenwerking op met scholen, buurthuizen, welzijnswerkers, kerken – organisaties met heel andere ingangen in de wijk dan de tuin zelf heeft. Ze stelden zichzelf de vraag: hoe zorgen we dat mensen zich hier welkom voelen?

Dat betekent niet dat iedere tuin iedereen hoeft te bereiken: samen kunnen verschillende voedselinitiatieven verschillende gemeenschappen bedienen – en daarmee samen een divers landschap in een stad of regio vormen.

✓ Begin met gezondheid, niet met ecologie

De woorden die je gebruikt, doen ertoe. Veel voedselinitiatieven communiceren vanuit begrippen als biodiversiteit, regeneratieve landbouw of ecologie. Terwijl deelnemers zelf woorden als puur, natuurlijk, gifvrij en vooral: gezondgebruiken. Bijna iedereen hecht veel waarde aan gezond eten, zag Amarins.

Ecologische kennis ontstaat vervolgens vanzelf, in het voorbijgaan, al doende, al pratende, al proevende. Zo ontdekte een bezoeker tijdens het tuinieren dat de paarse tomaten die ze steeds liet liggen, gewoon rijp en eetbaar waren – ze zagen er alleen anders uit dan de rode uit de supermarkt. En aan tafel wisselden mensen uit hoe je van wortelloof pesto maakt, of over welk gewas in welk seizoen groeit.

✓ Een voedseltuin is veel meer dan een plek waar groenten groeien

Koffiedrinken, samen lunchen, elkaar ontmoeten en recepten uitwisselen: voor veel deelnemers, van gepensioneerden tot mensen in een burn-out, is dat minstens zo belangrijk als de oogst zelf. Toegang tot voedsel blijkt in de praktijk ook toegang tot een gemeenschap.

Volgens Amarins zouden gemeenten die maatschappelijke functie veel serieuzer mogen nemen. Tuinders besteden enorm veel tijd aan begeleiding, ontmoeting en kennisdeling. Tijd die nu vaak onbetaald bij de tuinder terechtkomt. Dat rendeert misschien niet financieel, maar maatschappelijk wel.

Tegelijkertijd zag Amarins hier een opvallende tegenstelling: de tuin zelf blijkt voor veel mensen een plek om elkaar te ontmoeten, maar dat betekent nog niet dat zij ook gebruikmaken van het voedsel dat er wordt verbouwd. Vrijwilligers werken soms een hele ochtend mee en gaan vervolgens zonder groenten naar huis. De tuinder moet hen er soms letterlijk aan herinneren dat ze ook iets mogen oogsten.

✓ Geef mensen invloed op de tuin

Mensen voelen zich eerder onderdeel van een voedselinitiatief wanneer zij niet alleen meehelpen, maar ook invloed hebben op wat er gebeurt. Dat kan gaan over activiteiten organiseren, meedenken over de inrichting van de tuin of over de vraag welke gewassen worden verbouwd. Dan ben je niet alleen consument of vrijwilliger, maar voel je je echt onderdeel van de gemeenschap.

Dat schuurt soms ook. Zo hoorde Amarins over een groep Syrische deelnemers die eigen zaden had meegenomen naar een biologisch gecertificeerde voedseltuin. Mag dat wel? Een van de tuinders zag zulke situaties juist als een kans om het gesprek aan te gaan over de keuzes die je als initiatief maakt en de waarden die daarachter liggen.

✓ De oogst weerspiegelt de buurt

Groenten zijn niet neutraal. Wat op een tuin verbouwd wordt, bepaalt ook wie zich erin herkent.

In Rotterdam vroeg een Surinaamse buurtbewoner of hij ook kouseband mocht verbouwen. Dat is in de supermarkt duur, terwijl veel gezinnen in de wijk het graag eten. Inmiddels groeit het op de tuin.

Ook hóe voedsel wordt verdeeld doet ertoe. Niet iedereen kan iedere week op hetzelfde moment een pakket ophalen of zelf oogsten – flexibelere vormen, zoals de mogelijkheid om je pakket af en toe een week stop te zetten, maken een initiatief toegankelijker voor huishoudens met weinig tijd of beperkte mobiliteit.

✓ Inclusiviteit kun je niet alleen

Een opvallende conclusie uit het onderzoek is dat er nu veel verantwoordelijkheid bij tuinders terechtkomt. Steeds meer wordt verwacht dat tuinders gezond voedsel produceren, biodiversiteit bevorderen én sociale ongelijkheid oplossen. Dat dit alleen de verantwoordelijkheid is van tuinders, kan niet de bedoeling zijn, vindt Amarins.

Gemeenten, welzijnswerkers, buurthuizen, woningcorporaties, scholen en bedrijven zouden volgens haar minstens zo’n belangrijke rol moeten spelen – eerlijke toegang tot biologisch eten vergroot immers de gezondheid van onze hele samenleving. Toegankelijkheid hangt niet alleen af van wat er binnen de tuin gebeurt, maar ook van hoe een initiatief verbonden is met de rest van de buurt.

✓ Organiseer solidariteit zonder schaamte

Prijs blijkt lang niet altijd de grootste drempel. Wel is het belangrijk hoe financiële solidariteit wordt georganiseerd. Op veel tuinen sponsoren deelnemers met een hoger inkomen een pakket voor iemand anders. Dat werkt, maar kan ook schaamte oproepen. Sommige initiatieven kiezen daarom voor een groen of geel abonnement in plaats van een ‘goedkoop’ of ‘gesponsord’ pakket. Of ze sluiten aan bij een gemeentelijke stadspas. Zo wordt solidariteit iets normaals, in plaats van een uitzondering.

Meer dan zeven vinkjes

De zeven vinkjes zijn een handig lijstje voor tuinders. Maar Amarins plaatst er meteen een kanttekening bij: eerlijke toegang tot gezond voedsel is niet iets wat je aan tuinders alleen kunt overlaten. Zij leveren nu al, vaak onbetaald, een maatschappelijke functie die net zo goed bij gemeenten, welzijnswerkers, buurtorganisaties, scholen en andere partners thuishoort.

Misschien is dat wel de belangrijkste les van haar onderzoek. Niet dat iedere voedseltuin alle zeven vinkjes moet afvinken, maar dat voedselrechtvaardigheid een gezamenlijke opgave is. Een inclusiever voedselsysteem ontstaat niet vanzelf en ook niet alleen binnen het hek van de tuin.