Ik spreek steeds meer boeren die bewust kiezen voor een andere koers. Ze willen werken aan landbouw die het landschap versterkt, die verbonden is met de gemeenschap en waarin zij weer zelf aan het roer staan. Maar zodra ze deze weg inslaan, merken ze hoe taai de werkelijkheid kan zijn. De idealen zijn helder, de wil is er. En toch duiken al snel de obstakels op: van praktische drempels op het erf tot financiële onzekerheid en beleid dat nog niet meebuigt met deze nieuwe richting.
Waar we nu staan
Op een bijeenkomst van boerencollectief Van het VELD praten we over het behalen van meer marge via een verslokaal op het erf dan via de groothandel. Wat als boeren meer konden verdienen met minder afhankelijkheid van de supermarkt? Veel boeren willen dit, want supermarkten zijn niet de meest betrouwbare partners, noch de best betalende. En stevig verankerd zijn in een gemeenschap heeft meer voordelen dan alleen een afzetmarkt.
Welke opties hebben boeren die het anders willen doen? En welke beleidsmatige steun is daarbij helpend? Dit is hoe ik ernaar kijk.
Een systeem dat wringt
Boeren staan klem tussen hoge kosten, lage prijzen en veranderende maatschappelijke verwachtingen rond klimaat, natuur en dierenwelzijn. Overheden zoeken tegelijkertijd naar manieren om boeren toekomstperspectief te bieden. Deze spanning is voelbaar: we roepen om verduurzaming, maar het systeem blijft ingericht op schaalvergroting en lage prijzen.
Tegelijk groeit er een nieuwe beweging. Alternatieve verdienmodellen krijgen vorm door korte ketens, eigen verwerking, samenwerking met buren en direct contact met burgers. Ze bieden ruimte voor innovatie en voor meer regie. Boeren worden weer zichtbaar als voedselmakers in plaats van anonieme leveranciers van bulk. Dit vergt lef en samenwerking, maar vraagt ook om een systeem dat deze beweging ondersteunt.
Gemeenten en provincies kunnen deze beweging versterken met ondersteunende kaders: ruimte voor korte keten-initiatieven, experimenteerruimte in regelgeving, en het verbinden van boeren met regionale afnemers zoals scholen, zorg en bedrijven. Dit vraagt om het loslaten van oude reflexen waarbij subsidie als lapmiddel dient, en het ontwikkelen van beleid dat samenwerking en ondernemerschap mogelijk maakt.
Pioniers in beweging
Bij Boeren Natuurlijk kijk en leer ik mee met Future Up binnen een nieuwe beweging. Daar liggen er heel concrete én systeemgevoelige vragen op tafel. Boeren die samen willen werken in de korte keten, ontdekken hoe lastig het is om gezamenlijke logistiek, verwerking en afzet te organiseren binnen structuren die vooral zijn ontworpen voor grote volumes en centrale afnemers. In gesprekken met MVO Nederland komt steeds terug dat markttoegang en afzetzekerheid cruciale knelpunten blijven: regionale bedrijven en instellingen willen vaak wel, maar bestaande aanbestedingskaders en inkoopprocessen bieden kleine producenten nauwelijks ruimte.
Daarbovenop komt regelgeving rond voedselveiligheid, financiering en grondgebruik die veelal is afgestemd op de werkwijze van grotere, gangbare bedrijven. Voor pionierende boeren werkt die uniformiteit eerder vertragend dan ondersteunend. Precies deze spanning laat zien waar beleid achterloopt: de ambitie voor duurzamere landbouw is breed gedeeld, maar het juridische en organisatorische kader sluit nog onvoldoende aan op de realiteit van boeren die regeneratief, natuurinclusief en lokaal willen werken.