Onze oplossing
We begrijpen hoe bottom-up netwerken in het landelijk gebied werken, met boeren in de lead. We slaan de brug tussen systeemwereld en leefwereld, tussen overheid en initiatief van onderop. En we hebben ervaring met gebiedsgerichte innovatie – precies waaraan LVVN behoefte heeft.
Belangrijkste bevindingen:
De Veluwe is geen homogeen gebied. De vier deelgebieden (Gelderse Vallei, Noord-Veluwe, Agrarische enclave en IJsselvallei) hebben door eigen kenmerken en opgaven hun eigen aanpak nodig. Wat werkt in de ene regio, werkt niet automatisch in de andere.
Er is veel potentie van initiatief van onderop, maar gebrek aan langetermijnzekerheid over systemische kaders houdt vordering tegen. Initiatieven willen experimenteren en innoveren, maar hebben duidelijkheid nodig over spelregels en randvoorwaarden.
De bovenlaag heeft een cruciale rol. Ten eerste: duidelijke systemische kaders en uitgangspunten communiceren. Ten tweede: beter worden in het faciliteren van de tussenruimte waarin oplossingen van gebiedsopgaven ontwikkeld kunnen worden.
Een concrete les: het is cruciaal om een gezamenlijke definitie en praktijk te ontwikkelen voor ‘experimenteerruimte’. Wat betekent dat nou echt? Welke ruimte is er? En hoe zorgen we dat initiatieven daar ook gebruik van kunnen maken?
Opschaalbaar en elders toepasbaar?
Absoluut. De aanpak – het in kaart brengen van de tussenruimte, het begrijpen van bottom-up ecosystemen, het verbinden van leefwereld en systeemwereld – is overal toepasbaar waar gebiedsopgaven spelen. Het Tompouce-model biedt een heldere methodiek om te kijken naar transities op verschillende niveaus en te begrijpen waar versnelling nodig is.