Een eigen (biobased) huis. Het zelfbouwavontuur van Khymo

Circulair en biobased bouwen Kennis delen

Khymo Moestadja (zij/haar)

Transitiemaker

blog khymo website

Ik werk dagelijks aan de verduurzaming van de bouwsector. Dus natúúrlijk wilde ik ons zelfbouwproject zo ecologisch mogelijk aanpakken. Maar midden in het ontwerpproces bleek dat wat ik wilde, niet ging lukken. En die teleurstelling werd me tijdens het gesprek met de architect even te veel.

Ik ben het achteraf mijn biobased-baalmoment gaan noemen. Samenbouwen is geven en nemen. Maar hier moest ik echt een groot stuk van ons ideaal weggeven.

Transitiepijn, noemt collega Johannes het: niet alles wat je als idealist wil is mogelijk. We zitten nou eenmaal in een systeem en hebben (vaak) beperkte financiële armslag. En dat is echt heel erg balen.

Een droom van aarde

Sinds januari 2026 woon ik, samen met mijn partner Toon en drie bevriende stellen, ieder in een – grotendeels – zelfgebouwde huis.

Ons bouwavontuur begon met een droom van Toon en mij: een zo duurzaam en ecologisch mogelijk huis. Toen we een rondleiding kregen in het ecodorp Aardehuizen in Overijssel, waren we meteen verkocht. Aardehuizen bestaan volledig uit herbruikbaar en hergebruikt materiaal, verwarmen en verkoelen zichzelf, vangen water op en zuiveren het, creëren duurzame energie en is de overgang tussen huis en buitengebied zo geleidelijk mogelijk.

Supercool. Hier lees je er meer over.

Artikelcontent
Samen met mijn partner Toon zoveel mogelijk zelf geklust. Van elektra, tot leidingwerk, badkamer en alles eromheen. Bij alle materialen hebben we zoveel mogelijk gekeken naar biobased, hergebruikt en herbruikbaar.

Vastlopen op isolatie

Maar je kunt niet zomaar een stukje grond kopen en een Aardehuis bouwen. We kregen te maken met welstand en allerlei wet- en regelgeving. Er kwam een bevriend stel bij, we vonden grond in Nederhorst den Berg – groot genoeg voor vier huizen – en nog twee stellen sloten aan in de CPO. Handig en onmisbaar: de vader van één van hen is architect bij MONK architecten, en heeft ons enorm geholpen.

Toon en ik deelden steeds onze ecologische idealen. Iedereen was daar enthousiast over. We kozen gezamenlijk voor een houtskeletbouw (hoera!). En toen gingen we isolatie kiezen. Ik was in die tijd namens Squarewise hard aan het werk voor de stro-inblaas-coalitie. Met Joost van der Waal, die álles weet over biobased isoleren, overlegde ik wat mogelijk was. Inblazen met stro bleek duurder: dat heeft invloed op het ontwerp van het houtskelet. Plan B: isolatiematten van houtvezel. Na overleg tussen architect en houtskeletbouwer was de conclusie: ook met matten zou natuurlijke isolatie 15.000 euro meer kosten, per stel. De andere stellen wilden dat niet.

Toon en ik wel.

Alleen, zei de houtskeletbouwer: dan moeten we jullie huis uit het productieproces halen, en dan komt er nog meer geld bovenop – 25.000 euro. Dat geld hadden we niet.

Wat wel kon: voor een klein gedeelte lege muren opleveren, die wij dan zelf konden isoleren met houtvezel. De overige 75 procent is steenwol geleverd bij de HSBconstructie.

En zo kwam het dus dat ik huilend bij het gesprek met de architect zat. En de transitiepijn volledig doorvoelde.

Alsnog impactvol

Kleine troost: uiteindelijk zijn al mijn pogingen niet voor niets geweest. De architect vertelde mij achteraf: ‘dat jij er zó van baalde, van die traditionele isolatie, heeft me aan het denken gezet. In volgende projecten proberen we eerder biobased isolatie aan de voorkant uit te vragen en mee te nemen, niet pas tijdens het proces, want dan is het vaak te laat.’

En de houtskeletbouwer Boiten in Friesland zei: ‘Ik heb me er nog eens in verdiept. Wat jij wilde, kan wel degelijk.’ Nu is hij zelf helemaal overgestapt op houtvezelmatten: die zijn beter voor het klimaat én veel fijner om mee te werken.

En het nodige geleerd:

Mijn lessen

1. Het voortraject is écht écht heel belangrijk.Het is zó belangrijk om mensen aan de voorkant mee te nemen in wat je wil. Ik had zelf met de houtskeletbouwer moeten gaan zitten om mijn voorstel te bespreken, in plaats van dat via de architect te doen. Dan was het denk ik wel gelukt. Extra begeleiding en extra uren in zo’n traject zijn belangrijk, wil je dingen voor elkaar krijgen.

2. Biobased zelf is niet duurder; het uitzoekwerk is duurder. Voor de skeletbouwer was biobased isolatie onbekend terrein. Elk nieuw materiaal, elk onbekend merk kost tijd – en daarmee dus geld. Je hebt mensen nodig die het leuk vinden om dingen uit te zoeken en daar de ruimte voor krijgen. Een constructeur die wil uitpluizen hoe het zit met de brandwerendheid van een bepaalde plaat, bijvoorbeeld. Die mensen zijn er, maar ze hebben tijd nodig, en die is er vaak niet. Of geld. En dat is er ook vaak niet.

3. De pioniers zijn er, de techniek is er, alleen de begeleiding (nog) niet. De aanbodzijde is er: boeren die willen verbouwen, vakmensen, machines, certificering voor steeds meer biobased materialen. Maar het implementeren gaat niet vanzelf. Niet als je alleen op strategisch niveau inspireert. Directies raken enthousiast op een event – en dan moet de uitvoering het oppakken, met mensen die het nog nooit hebben gedaan, zonder extra tijd of budget. Processen moeten worden aangepast, en mensen moeten worden overtuigd dat een biobased manier van werken op uitvoerend niveau ook gewoon fijner is. Dat vraagt begeleiding op alle niveaus: niet alleen het hogere management, maar ook de uitvoerder, de constructeur, de inkoper.

4. Er is geld nodig, en dat gaat niet uit de markt komen. Die begeleiding kost geld. Commerciële bouwbedrijven gaan dat niet betalen. Daar zie ik een belangrijke rol voor de overheid: geld mobiliseren voor begeleiding op uitvoerend niveau. Dan gaat de vraagzijde pas echt vliegen.